Artikel 23 niet achterhaald of ouderwets

Waarom geloven in een vrije samenleving niet achter de voordeur hoeft

De discussie over de vrijheid van onderwijs is de laatste maanden weer opgelaaid. Een aantal politieke partijen vindt dat het tijd is om artikel 23 aan te passen. Columnist Paul van der Bas is principieel tegen. ‘Geloof is niet iets wat je zomaar even achterlaat wanneer je de voordeur uitstapt.’

Artikel 23 niet achterhaald of ouderwets

De Tweede Kamer was deze maand nog maar net terug van het zomerreces, en het was weer raak: de discussie over de vrijheid van onderwijs barstte los. Al eerder dit jaar pleitte VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff voor het aanpassen van artikel 23 van de grondwet, en deze maand laaide de discussie opnieuw op na onthullingen door Nieuwsuur over radicale lesmethodes op islamitische scholen. De VVD meent dat de grondwet moet worden aangepast om dat soort excessen de kop in te drukken. Artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs garandeert, zou voortaan ondergeschikt moeten zijn aan artikel 1 – het discriminatieverbod. Staatsrechtelijk is dat trouwens je reinste onzin: onze grondwet kent geen hiërarchie van grondrechten. Maar, zo zeggen politici als Dijkhoff, artikel 23 is ouderwets en achterhaald. Tijd voor verandering dus.

Rode Zee van crêpepapier

Iedereen is het er wel over eens dat uitwassen (zoals het salafistische Cornelius Haga Lyceum) moeten worden aangepakt. Maar moeten we op basis van een paar uitwassen het hele onderwijs overhoop gooien? Ik zat zelf op een protestants-christelijke basisschool en van indoctrinatie heb ik weinig gemerkt. Ja, één keer per jaar met de klas naar de kerk. En wanneer het verhaal van de uittocht uit Egypte werd behandeld, knutselden we de Rode Zee van crêpepapier. Is dat slecht? De meeste ouders denken van niet: ruim tweederde van de Nederlandse basisschoolleerlingen zit op een christelijke school. Waar kerken te maken hebben met leegloop en vergrijzing, is het christelijk onderwijs onverminderd populair.

Geloven doe je maar achter de voordeur

Los van de praktische kant van de zaak is er natuurlijk ook nog de principiële discussie. Felle tegenstanders van de vrijheid van onderwijs wijzen niet alleen op excessen, maar vinden dat de overheid principieel niet zou mogen meewerken aan religieus onderwijs. Kinderen zouden op religieuze scholen worden “geïndoctrineerd”, menen tegenstanders. De overheid zou niet moeten meebetalen aan dat soort scholen. “Religie doe je maar thuis, dat heeft niets te maken met onderwijs” is een veelgehoord argument. Scholen moeten “neutraal” zijn, geloven doe je maar achter de voordeur.

Kunstmatige scheiding

Tegenstanders van bijzonder onderwijs trekken een kunstmatige scheiding tussen school en het gezinsleven: geloven doe je thuis, op school ben je bezig met taal en rekenen. Maar opgroeiende kinderen brengen een enorm deel van hun tijd door op school. Of we het nu leuk vinden of niet, het onderwijs heeft wel degelijk een opvoedende taak. Het is dus logisch dat ouders een school kiezen die past bij hun eigen levensbeschouwing.

Want wie weet het beste hoe kinderen moeten worden opgevoed? De overheid, of de ouders zelf? Het idee dat de staat het beter weet – en dat de staat altijd “neutraal” is, gaat voorbij aan het recht van ouders om kinderen de waarden mee te geven die zij belangrijk vinden. Niemand houdt zoveel van kinderen als de ouders zelf. Elke ouder maakt fouten, maar ik vertrouw toch liever op de keuze van een ouder dan op de keuze van een ambtenaar.

Daarbij hoort dus ook de vrijheid om een school te kiezen die past bij je geloof of levensbeschouwing. Want geloof is niet iets wat je zomaar even achterlaat wanneer je de voordeur uitstapt. Artikel 23 is niet achterhaald of ouderwets, maar een fundamenteel onderdeel van een vrije samenleving.

Praat mee op Facebook: