Thuiszitters: Hoe krijgt ieder kind een plek in ons onderwijsbestel?

Explainer

De hele dag tijd voor je favoriete computergame of ravotten in de tuin. Voor veel schoolgaande kinderen een droom, maar het is een realiteit die duizenden zogenaamde thuiszitters eerder als nachtmerrie ervaren. Zij kunnen niet naar school, omdat daar geen passende plek voor hen is. Een probleem met ingrijpende consequenties voor een groeiende groep kinderen.

Thuiszitters: Hoe krijgt ieder kind een plek in ons onderwijsbestel?

Op papier worden inmiddels 4790 kinderen als thuiszitter betiteld. Onderwijsdeskundigen betogen echter dat dit aantal slechts het topje van de ijsberg is, omdat nog veel meer kinderen geoorloofd thuis zitten en daardoor niet in beeld zijn. Zorgwekkende getallen terwijl vier jaar geleden nog het thuiszitterspact werd gesloten; een afspraak tussen onderwijsorganisaties en het ministerie die ervoor moest zorgen dat er vandaag de dag geen enkel kind nog langer dan drie maanden thuis zit. 

Dat pact kwam een paar jaar na de invoering van het passend onderwijs, een maatregel die ervoor moet zorgen dat alle kinderen een passende plek op reguliere scholen krijgen. Dat is onderwijs dat leerlingen uitdaagt, uitgaat van hun mogelijkheden en rekening houdt met hun beperking. Het voorkomen van thuiszittende kinderen staat dus wel degelijk op de Haagse agenda, maar blijkt voorlopig hardnekkiger en moeilijker oplosbaar dan gedacht. 

Psychische impact

Zo tikken ondertussen de jaren door en worden veel ouders moedelozer over de situatie van hun kind. Vaak ontstaan in de kleuterklassen al de eerste problemen, als blijkt dat het kind niet meekomt in het reguliere onderwijs. Hoogbegaafdheid en autisme liggen doorgaans aan de oorsprong van deze mismatch. De zoektocht naar een geschikte school kan vervolgens een hele onderwijscarrière duren: sommige kinderen maken wel tien scholen mee. 

Als het uitzicht op een passende school verdwijnt en je perspectiefloos thuis komt te zitten, liggen er grote gevaren op de loer. Veel kinderen raken angstig of zelfs suïcidaal. Hun sociale leven marginaliseert en de drempel om op één of andere manier terug te keren in de maatschappij wordt hoger en hoger. 

Geld blijft op de plank liggen

Maar als de impact op hun levens zo groot is; waarom lukt het dan niet om ook deze kinderen een plek in het onderwijs te geven? Passend onderwijs werkt voor hen duidelijk niet en ook speciaal onderwijs sluit niet aan bij hun behoeften. Initiatieven van ouders die zelf een aangepaste school voor hun kind oprichten zijn al lang geen unicum meer, al wordt het financieren van dat eigen opgezette passend onderwijs hen niet makkelijk gemaakt.

Sinds de decentralisatie is de onderwijs- en zorgverantwoordelijkheid namelijk op gemeenteniveau komen te liggen. Daarmee zijn ook de geldstromen waaruit het onderwijs- en zorgarrangement voor deze kinderen samengesteld moet worden, veranderd. Ingewijden stellen dat de sleutelposities bekleed worden door ambtenaren die de problematiek niet volledig begrijpen en daardoor onlogische keuzes maken. Vaak blijven de beschikbare gelden zodoende op de plank liggen.

Curriculum aanpassen?

De roep om een oplossing wordt steeds meer een noodkreet. Wat moet er gebeuren om deze kinderen perspectief te bieden? Koepelorganisatie Ieder(in), die onder meer de belangen behartigt van leerlingen die vanwege een beperking of chronische aandoening thuiszitten, pleit voor het pleit voor het loslaten van het traditionele curriculum om daarmee ruimte te scheppen voor onderwijs dat daadwerkelijk bij de kinderen past. Ingrado, de organsatie van leerplichtorganisaties, stelt dat het onderwijs een beweging moet maken van een plicht tot onderwijs naar het recht op onderwijs: meer maatwerk. 

Voor deze stap in verandering lijkt Den Haag met een nieuwe maatregel te moeten komen. De leerplichtwet stamt al uit 1969 en aan het curriculum kan op dit moment nog niet gemorreld worden. Een aantal Kamerleden sprak zich al uit voor het uitgebreider tegen het licht houden van ons onderwijsstelsel. Hoewel onderwijsminister Slob aangeeft dat ook hij ontevreden is over het toenemende aantal thuiszitters, is het nog de vraag in hoeverre zo’n grote aanpassing aanstaande is.