'Ik schaam me voor mijn ik-gerichtheid'

Column

Marleen Stelling wil haar oude leven terug. Tegelijk schaamt ze zich voor de ik-gerichtheid die de coronacrisis bij haar naar boven brengt. "Als bevoorrechte blonde, witte, slanke en slimme vrouw heb ik vrijwel nooit hoeven inleveren", schrijft ze. Stelling is presentator bij de EO.

'Ik schaam me voor mijn ik-gerichtheid'

Uit een onderzoek van Ipsos in opdracht van Nieuwsuur blijkt dat het gros van de Nederlanders het eens is met de maatregelen van het kabinet. Dat we niet naar de kapper kunnen, is wel vervelend, moppert de helft, maar daar blijft het bij.

Ben ik dan echt de enige, vraag ik mij af. Naarmate de coronacrisis voortschrijdt, voelt mijn levenslustige oer-zelf zich namelijk met de dag meer beknot. Gedreven door driften die nog net niet ouder zijn dan de mensheid, word ik steeds wanhopiger van gehandhaafde maatregelen en het gebrek aan een einddatum. Ik wil vrijheid. Ik wil mijn vrienden kunnen vastpakken als ik ze zie, lange nachten in de stad beleven, gulzig mijn dagen consumeren. Ik wil dat mijn zoon zijn grootouders kan knuffelen, dat de buren weer op bezoek komen. Ik wil mijn oude leven terug.

Buikgevoelens

Natuurlijk besef ik maar al te goed dat die verlangens niet onschuldig zijn. Een paar stappen verder en ik help met mijn gefulmineer de collectieve moraal om zeep. Ik betrap mezelf geregeld op een zoektocht naar cijfers die mijn gevoelens sanctioneren en onderbouwen. ‘Zie je wel, dat hele coronagedoe gaat niet over mij’, dacht ik toen ik hoorde dat de IC’s veelal gevuld worden door mensen met obesitas en voornamelijk ouderen sterven aan het virus. Ik was verontwaardigd over de minimale versoepeling per 28 april, want: ‘De grafieken flattenniet alleen, maar dalen zelfs. We moeten toch ook door met ons leven.’  

Mijn weeklaag uit ik veelal binnenskamers. Maar enkele opiniemakers zetten wat ik in de lade ‘innerlijk taboe’ heb geplaatst, wél op een podium. Zo stelde Jort Kelder als een van de eersten de kritische vraag naar de economische prijs die we al dan niet bereid zijn te betalen, ten behoeve van een klein deel van de samenleving. Een deel dat ook zonder corona al voornamelijk geld kost. Marianne Zwagerman zwengelde de discussie #dorhout aan. Zij vroeg zich af of dat virus niet precies doet wat het hoort te doen: ouderen en zwakkeren uit de weg helpen, zodat het jonge groen haar ruimte in kan nemen. Psycholoog Martin Appelo deed er nog een schepje bovenop. We zouden samen naar het Malieveld moeten trekken om te demonstreren tegen de maatregelen van de intelligente lockdown, dit pikken we niet langer.

Privilege

Ik schaam me voor mijn ik-gerichtheid. Het ergste is dat ik me altijd zo anders heb voorgedaan. In het maatschappelijk debat was ik steevast progressief meelevend, en nooit te beroerd om op te komen voor gemarginaliseerde groepen. Ik pleitte hartstochtelijk voor open grenzen, meer aandacht voor het milieu, was groot voorstander van belastingen. De kernwaarden die daaronder schuilgaan zou ik zeker doorgeven aan de volgende generatie. Te beginnen met mijn zoon van vijftien maanden. “Je bent een schakel in het geheel en leeft niet alleen voor jezelf”, oefende ik al.

Ik bid tot God dat ik die lijn mag voortzetten. Maar ik heb ook iets nieuws ontdekt deze weken: alles heeft een prijs. Of het nu gaat om de plek van de gevluchte medemens, de verlaging van het stikstofpercentage in de lucht of het vullen van onze staatskas. Het is een prijs die tot corona behoorlijk langs mij heen is gegaan. Als bevoorrechte blonde, witte, slanke en slimme vrouw heb ik vrijwel nooit hoeven inleveren. 

Mijn meningen waren makkelijk, besef ik nu. Ik zag mijn gevoel van veiligheid niet verdwijnen na de oprichting van een AZC in het dorp, hoefde als boer niet mijn familiebedrijf op te doeken en had na mijn studententijd zelden zorgen over welke rekening dan ook. Nu corona rondwaart, moet ook ík de portemonnee trekken en ten behoeve van de gemeenschap met een voorschot komen. Ik lever mijn vrijheid in. Een radertje in het geheel zijn, vervult mijn hart nu niet met romantisch genoegen, maar doet me happen naar adem. 

Als ik iets van deze ellende mag leren, dan is het wel dat ik in de toekomst mijn bittere oordeel opschort over mensen die ik in het verleden als kortzichtige, populistische egoïsten bestempelde. Misschien zijn er meer van mijn soort en kunnen we een club oprichten om samen het tegendeel bewijzen van een waarneming die een wijs man twintig eeuwen geleden al deed. ‘Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te wandelen.’