Advocaat Peter Plasman: ‘Ik hoop dat de dood nog even bij me wegblijft’

Advocaat Peter Plasman denkt nog niet te veel na over de dood. Hij hoopt vooral dat het ‘een plezierige dood wordt’, mocht het zover komen. Plasman vertelde dat gisteren tijdens de eerste aflevering van een nieuw seizoen van De Kist.

Advocaat Peter Plasman: ‘Ik hoop dat de dood nog even bij me wegblijft’

Peter Plasman is een bekende advocaat. Hij stond onder meer Mohammed B. bij, de moordenaar van Theo van Gogh. Ook kwam hij recent in het nieuws, nadat hij bekendmaakte een politieke partij op te richten met Richard de Mos, bekend uit de Haagse politiek. De nieuwe partij heet Code Oranje. In De Kist ging het vooral over zijn persoonlijke leven en dan met name over de dood van zijn jongere broertje. Dat was de eerste ervaring waarin de dood dichtbij kwam.

Want tot voor kort speelde de dood geen rol in het leven van Plasman, vertelt hij. “De mensen die in mijn omgeving zijn overleden waren, tot voor kort, hele natuurlijke processen. Mijn ouders zijn heel oud geworden. Voor mijn moeder was de dood een geschenk, want zij was al zeker vijf jaar een kasplantje voordat ze overleed. En mijn vader is ook oud geworden, 95.”

De dood van zijn broer

De eerste echte confrontatie met een onverwachte dood was bij het overlijden van zijn broer, die een jaar jonger is dan hij. Die dood kwam onverwacht en te vroeg, vertelt hij. “Hij was tweeënhalf jaar geleden binnen een week ineens dood. We hadden een hele goede band.” Dat kwam door hun jeugd, denkt Plasman. “Ik heb een wat aparte jeugd gehad, een beetje ontheemd. Van huis naar huis. Mijn vader was militair en hield ervan om steeds in een ander garnizoen te werken. Dan was je net gewend en dat moesten we weer onze koffers inpakken.” Zijn moeder woonde in het buitenland, zijn vader was inmiddels hertrouwd. Zijn vader was niet veel thuis. Later verbrak Plasman het contact met hem. “Ik groeide op bij mijn vader, maar die was vaak weg, als militair. Dus we groeiden heel zelfstandig op, mijn broertje en ik.”

Kort voor zijn overlijden gingen Plasman en zijn broer uiteten. Het leek toen allemaal nog goed te gaan. “Tijdens dat etentje zei hij: ik heb longfibrose. Maar dat was allemaal onder controle. Het zou op een gegeven moment fataal kúnnen zijn, maar er viel mee te leven. Aan hem was toen ook weinig te merken.” Later kreeg Plasman een whatsappje dat zijn broer even naar het ziekenhuis moest vanwege benauwdheid. “Toen is hij naar het Erasmus gegaan in Rotterdam en daar is hij eigenlijk meteen in comateuze toestand gebracht. Daar lag hij dan. Er was geen herstel mogelijk.” Alleen een eventuele longtransplantatie kon zijn broer redden. Maar dat wilde hij niet. “Ik vroeg aan de artsen of hij iets bijgebracht kon worden, zodat ik in elk geval met hem kon communiceren. Ik stelde wat controlevragen, daarbij gaf hij de juiste antwoorden door nee te schudden of ja te knikken. Toen ik zei dat hij in aanmerking kwam voor een longtransplantatie begon hij meteen heel heftig nee te schudden. Dan was de andere optie: dan ga je dood. Dat was een hele heftige confrontatie voor mij. Hij beslist nu dat hij doodgaat.”

Een kist met platenhoezen

Over zijn eigen dood denkt Plasman nog niet heel veel na. “Ik word er niet bang van. Het is niet zo dat het mij ergens mee confronteert.” Hij hoopt dat de dood bij hem nog even weg mag blijven. En bij zijn omgeving. “Het liefst bij iedereen natuurlijk, maar dat gaat niet.”

Zelf hoeft hij na zijn dood niet in een kist te liggen. “Ik ga ervoor zorgen dat ik nooit in een kist terecht kom. Ik ga me niet laten begraven.” En voor het vervoer dan? “Je kunt tegenwoordig hele andere dingen bedenken. Mocht een kist onontkoombaar zijn, dan weet ik al wat het wordt: een kist waarop alle platenhoezen van mijn meest favoriete muziek staan.”

Kijk hieronder de hele eerste aflevering van het nieuwe seizoen van De Kist. Plasman vertelt onder meer over het moment van sterven van zijn broer en de eenzaamheid daarna, over zijn jeugd en over de opvoeding door zijn vader.